Een grootschalig onderzoek nuanceert het diepgewortelde idee dat ervaring de belangrijkste drijfveer voor innovaties zou zijn. Het blijkt namelijk dat baanbrekende ontdekkingen vaker het werk zijn van jonge onderzoekers, terwijl meer ervaren onderzoekers uitblinken in het samenvatten en uitbreiden van bestaande kennis.
Uit de analyse van gegevens die tussen 1960 en 2020 door meer dan 12,5 miljoen wetenschappers zijn gepubliceerd, blijkt dat wetenschappers met het ouder worden (het aantal jaren sinds de eerste publicatie) beter in staat zijn om nieuwe verbanden te leggen tussen ideeën die tot dan toe geen verband met elkaar leken te hebben, terwijl hun vermogen om gevestigde paradigma’s in twijfel te trekken en/of te vervangen door fundamenteel nieuwe concepten, juist afneemt.
Met andere woorden, ervaring zou de kennis verdiepen en de inventieve hercombinatie van ideeën bevorderen, maar zou ook de intellectuele gehechtheid aan bestaande kaders kunnen versterken, waardoor radicale breuken, die vaker bij jonge wetenschappers worden waargenomen, minder waarschijnlijk worden.
In het licht van deze resultaten, gepubliceerd in Science, stellen de auteurs dat het raadzaam zou zijn om de institutionele structuren te herzien die tegenwoordig de voorkeur geven aan ervaring en dus aan anciënniteit, wat bijgevolg een potentieel schadelijke impact heeft op innovatief onderzoek.
Volgens hen brengt de concentratie van macht in de handen van de meest ervaren mensen het risico van intellectuele verstarring met zich mee. Het stimuleren van leiderschap in het begin van de carrière en het waarderen van innovatieve bijdragen zou daarentegen kunnen bijdragen aan het behoud van een gezonder evenwicht tussen traditie en innovatie.
Goed gezien en goed gezegd!



